De camera is een doodgemakkelijke manier om die andere werkelijkheid te ontmoeten.
- Jerry N. Uelsmann
Je staat op het punt om aan De Andere Werkelijkheid te beginnen, het nieuwste boek van mij. Dit bescheiden werkje bevat niet alleen veel foto’s maar gaat ook over foto’s.
Sinds 1839 worden door mensen over de hele wereld foto’s gemaakt en bekeken om vervolgens bewaard, opgeruimd, vergeten of verscheurd te worden. Op dit moment maken we zoveel foto’s dat we ieder jaar een oppervlakte van Europa en Afrika kunnen bedekken met onze afdrukken. Toch worden we (wanneer we uitgaan van een sluitertijd van 1/100ste van een seconde) gemiddeld maar 1 op de 3.2 miljard momenten in ons leven gefotografeerd. Okay, jij waarschijnlijk wat vaker dan ik want ik verstop me het liefst achter de camera. Maar voor bijna iedereen geldt dat we dit ene moment, deze fractie van een seconde belangrijk vinden.
In tegenstelling tot een boek of een schilderij lijken we geen verbeeldingskracht nodig te hebben om een foto te ontcijferen. Het schijnbaar non-symbolische en objectieve karakter van een foto leidt er toe dat we ze niet meer als beelden behandelen maar als vensters.
Volgens Susan Sontag die het bekendste boek over het onderwerp heeft geschreven wordt de fotograaf ‘zelfs wanneer [hij] zijn best doet om een afspiegeling te geven van de realiteit, nog achtervolgd door de stilzwijgend geaccepteerde voorschriften van smaak en geweten’. Een fotograaf knipt een stuk uit de werkelijkheid, een fractie van de tijd. De rest is niet zichtbaar. De fotograaf vergroot, verkleint, snijdt, retoucheert. Hij selecteert het tafereel en verkiest uit al zijn foto’s die ene afbeelding boven alle anderen. Slechts die foto zal zijn studio verlaten terwijl de rest misschien een heel ander beeld had kunnen geven. Een foto mag dan een sterke relatie met hebben met de werkelijkheid, maar diezelfde werkelijkheid laat zich wel heel gemakkelijk kneden tot een symbolisch en subjectief product.
Toch is de invloed van de fotograaf maar beperkt. Want zodra die ene foto zijn studio verlaat verliest hij alle macht. Wij zullen de foto’s in handen krijgen en met ons inlevingsvermogen en onze verbeeldingskracht nieuwe betekenissen toevoegen. Wij zullen aan de hand van de foto verhalen verzinnen. Zonder enige moeite transformeren wij in ons hoofd het tweedimensionale oppervlak van een foto ‘terug’ in de ruimte-tijd. Juist omdat we weten dat fotografie die relatie heeft met de werkelijkheid zullen we dit zelfs proberen met de meest abstracte fotografie van bijvoorbeeld Paul Strand. Wat een foto uiteindelijk teweegbrengt bij ons zegt daarom niet zo heel veel over de foto en de fotograaf maar zegt vooral veel over onszelf en onze verbeeldingskracht.
De meeste foto’s die we tegenkomen zijn voorzien van tekst. Foto’s in kranten, reclamefolders maar ook in musea en galerieën verschijnen zelden zonder. In musea zie je regelmatig bezoekers druk lezen in het tentoonstellingsboekje wat ze hadden kunnen zien als ze niet de hele tijd aan het lezen waren. We zijn gewend geraakt aan die relatie en we zijn daardoor geneigd om in het beeld te zien wat er in het bijschrift, artikel of in de gids is geschreven. Je hoeft dan ook geen photoshop-expert te zijn om een foto te ‘vervalsen’, een ander bijschrift kan net zo goed werken.
De bijschriften in dit boek zijn op het eerste oog verwarrend omdat ze overduidelijk niet overeenkomen met de foto. Het zijn citaten uit romans. Het zijn de woorden die de mensen op de foto aan het lezen zijn terwijl ze gefotografeerd worden. Zowel de foto als het citaat zijn een momentopname. Soms gaan we zo op in het fictieve verhaal dat deze voor ons ‘echter’ is dan de werkelijkheid. We vergeten dan dat we aan het lezen zijn. Het citaat lijkt daarom voor de lezer het beste bijschrift. Voor alle anderen die de foto en het bijschrift zien ontstaat een aangename ordeloosheid, de schijnbaar gewone relatie van woord en beeld wordt even doorbroken.
Ik heb met dit boek niet een antwoord willen geven over de relaties tussen beeld en werkelijkheid en beeld en woord. Daar is dit werkje veel te bescheiden voor. Het zijn slechts mijn gedachten er over die ik in woord en beeld heb willen delen en daarmee hopelijk een aanzet te geven voor anderen om hier over na te denken. In een samenleving waar beelden zo belangrijk zijn geworden is verbeeldingskracht (het ontcijferen van beelden) minstens net zo belangrijk als geletterdheid.
Tot slot wil ik nog wat zeggen over de mensen die ik heb mogen fotograferen voor dit boek. Velen van hen doen een kunstopleiding aan de universiteit of academie, een aantal maakt muziek, sommigen staan in het theater, anderen fotograferen, schilderen, ontwerpen of schrijven. Ik had ze kunnen fotograferen tijdens hun bezigheden en dat had misschien spectaculaire plaatjes opgeleverd. Toch heb ik al deze mensen op maar één manier gefotografeerd, namelijk lezend. De foto’s tonen slechts dat ene moment in de luie stoel, op bed of op de bank, kijkend naar de zwarte letters op het witte papier. Van iedereen heb ik meerdere foto’s gemaakt. Van sommigen heel erg veel van anderen maar een paar. Hoe het ook is, voor het eindresultaat heb ik moeten selecteren. Tijdens deze selectie was het niet ongewoon dat ik in die paar foto’s een en dezelfde persoon met een geconcentreerde, afwezige, dromerige en opgewekte blik had gefotografeerd. Hoe objectief is dan die ene foto en wat zegt die opname over de persoon die er op staat? Misschien leest deze persoon normaliter alleen maar pulp maar is hij of zij nu precies afgebeeld met een zwaar werk uit de literaire canon. De kleurenfoto’s in dit boek illustreren het selectieproces. Elke foto had vervangen kunnen worden door een andere foto.








